Duits? Nergens voor nodig

Nederlandse politici schutteren in het grootste buurland

Dinsdag was het weer zover, en kwam er een Nederlandse minister naar Berlijn: Jan Kees de Jager was het deze keer, en zijn boodschap was in feite dezelfde als premier Rutte en Uri Rosenthal van Buitenlandse Zaken eerder hadden: Nederland heeft Duitsland harder nodig dan ooit, zowel voor de handel als voor de aanpak van de eurocrisis. Een tweede overeenkomst met Rutte en Rosenthal is echter dat De Jager die boodschap niet in het Duits overbracht. Goed, ze lezen eerst een keurige begroeting in het Duits van een papiertje, maar spontaan antwoorden in de taal van het grootste buurland kunnen ze niet. Hoe het er binnenskamers aan toeging is niet bekend, maar in het openbaar, in de Humboldt Universiteit, waar De Jager voor een deerniswekkend lege zaal een lezing hield, antwoordde hij op Duitse vragen in het Engels, of beter gezegd: in een Nederlandse versie van het Engels.

Over dit taalprobleem van de politici kan je onverschillig de schouders ophalen, maar je kan je ook serieus afvragen of het niet nogal pijnlijk is. Met (veelal) middelmatig Engels en slecht Duits staan de politici immers voor een veel bredere ontwikkeling: terwijl het belang van Duitsland groeit, is de kennis van het Duits onder Nederlandse scholieren schrikbarend weggezakt. Duitsers, daar kan je vanuit gaan, zullen niet zo snel Nederlands gaan leren. Duitsland heeft negen buurlanden, en in de media weet men inmiddels beter waar Griekenland ligt dan Nederland. Ook de politiek heeft zo haar prioriteiten; als er Nederlandse bewindslieden op bezoek komen, dan wordt zo'n werkreis met enig tempo afgewerkt. Maar op hun beurt benadrukken de Nederlandse politici juist met opvallende gretigheid hoe belangrijk Duitsland voor ze is. Dat is ook logisch, want voor Nederland is er steeds meer te halen. De Duitse economie groeit maar door, het land is voor Nederland de belangrijkste handelspartner, en er voetballen inmiddels meer Nederlanders in de Bundesliga dan ooit. Toen Rutte in november naast Merkel stond, zei hij zelfs dat Nederland zich minder op verre landen als China wil richten, en liever op Duitsland. Maar hij zei dat niet in het Duits. Helemaal bont maakte Uri Rosenthal, de minister van Buitenlandse Zaken, het tijdens zijn bezoek in november. Op een Nederlandse persvraag antwoordde hij zelfs niet eens in het Engels, maar minutenlang in het Nederlands, zonder tolk voor de Duitse minister en de Duitse journalisten die aanwezig waren.

Eerlijkheidshalve dient gezegd te worden dat één moderne machthebber uit Nederland zich prima in het Duits wist uit te drukken: Geert Wilders. Alleen Wilders kwam ironisch genoeg niet voor de handel, maar zorgde juist voor politieke onrust omdat hij zieltjes voor zijn eigen vrijheidsbeweging wilde werven. De Nederlands-Duitse handelskamer waarschuwt dit jaar scherp voor de economische gevolgen die dit talenprobleem kan gaan krijgen, en start binnenkort een campagne. Want de handel krijgt een probleem, als de kleinere partij niet meer de taal van de grotere partij kan spreken.

De stand van zaken is ondertussen tekenend: de Nederlandse voetballers in Duitsland kunnen zich inmiddels in acceptabeler Duits uitspreken dan de Nederlandse politici.

Merlijn Schoonenboom
De Volkskrant, 27 mei 2011